Gedaagde, geboren in 1964, heeft in juni 1991 zijn studie technische natuurkunde aan de Hogeschool Q. voltooid. Van 1 oktober 1991 tot 15 april 1992 heeft hij een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) ontvangen, waarna hij een jaar bij [werkgever] heeft gewerkt. Aansluitend heeft hij een half jaar uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen en vanaf 12 november 1993 is hem door gedaagde (met enkele korte onderbrekingen) uitkering ingevolge de RWW, nadien omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), verstrekt. In mei 1996 is gedaagde vanwege appellant in verband met zijn langdurige werkloosheid aangemeld bij de Stichting Jongeren onder begeleiding (hierna: [B.]). Deze stichting stelt zich ten doel samen met de betrokkene intensief te zoeken naar een geschikte plaats op de arbeidsmarkt. Gedaagde is er bij brief van 8 mei 1996 van in kennis gesteld dat bij weigering en/of onvoldoende medewerking maatregelen ten aanzien van zijn uitkering genomen kunnen worden.
Sedert mei 1996 hebben diverse gesprekken en bemiddelingspogingen plaatsgevonden. In september 1997 is de begeleiding vanwege de stichting [B.] beëindigd omdat gedaagde onvoldoende medewerking verleende bij het zoeken naar een passende werkkring.
In september 1997 heeft gedaagde voorts, nadat hij in augustus 1997 nog een via uitzendbureau [A.] verkregen aanbod tot het vervullen van een "Melkert 2"- vacature had afgewezen, verzuimd deel te nemen aan een voor hem passend geacht groepsgewijs trainingsproject.
Appellant heeft hierop bij besluit van 27 oktober 1997 de uitkering van gedaagde met ingang van 1 oktober 1997 gedurende twee maanden verlaagd met 20% wegens gedragingen die de inschakeling in de arbeidsmarkt belemmeren en het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid. Hij heeft daarbij tevens overwogen dat sprake was van herhaald verwijtbaar gedrag.
Het bezwaar van gedaagde tegen dat besluit is bij besluit van 23 december 1997 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het besluit van 23 december 1997 bij de aangevallen uitspraak vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat het niet deelnemen door gedaagde aan het groepsgewijs trainingstraject weliswaar onaanvaardbaar moet worden geoordeeld, maar dat appellant een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit Abw, IOAW en IOAZ (hierna: Maatregelenbesluit) door de in artikel 4, eerste lid onder b, van datzelfde besluit genoemde periode van een maand te verdubbelen zonder dat gedaagde in de daaraan voorafgaande periode van 12 maanden reeds een maatregel was opgelegd. Voorts heeft de rechtbank het bestreden besluit in strijd geacht met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat de getroffen maatregel is geëffectueerd met ingang van een datum die enige weken gelegen was voor de datum waarop het besluit aan gedaagde schriftelijk bekend is gemaakt.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Aangevoerd is - kort gezegd - dat de rechtbank ten onrechte alleen het niet deelnemen aan het groepsgewijs trainingsproject in de beoordeling heeft betrokken, dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de bevoegdheid van appellant om op grond van individuele omstandigheden af te wijken van de hoogte of duur van de voorgeschreven standaardmaatregel en ten slotte dat de rechtbank de terugwerkende kracht van de maatregel onder de gegeven omstandigheden ten onrechte niet toelaatbaar heeft geoordeeld.