ECLI:NL:CRVB:2002:AE5574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens onvoldoende onwerkbaar weer in schoorsteenveegbranche
Appellanten, werkzaam als schoorsteenvegers en drukwerkverspreiders, vroegen een WW-uitkering aan wegens onwerkbaar weer in de periode eind augustus tot en met oktober 1998. Gedaagde, het UWV, wees de aanvraag af omdat de weersomstandigheden niet voldeden aan de eis van een aaneengesloten periode van ten minste een week met extreme wind of neerslag. De rechtbank onderschreef dit standpunt en oordeelde dat de weersomstandigheden tot het normale bedrijfsrisico van de werkgever behoren en dat appellanten recht hadden op loonbetaling volgens artikel 7:628 BW Pro.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat er 44 dagen onwerkbaar weer was geweest, met name door regenval en windkracht zes of meer, waardoor zij niet konden werken en de werkgever verlies leed. De Raad oordeelde dat hoewel er dagen met windkracht zes en uitzonderlijke neerslag waren, er geen bewijs was dat deze omstandigheden langdurig en aaneengesloten waren en dat de werkgever daardoor niet kon worden vrijgesteld van loonbetaling.
De Raad concludeerde dat de beslissing van het UWV om geen WW-uitkering toe te kennen terecht was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 3 juli 2002 door voorzitter Hoogeveen en leden Schelfhout en Rottier.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten geen WW-uitkering krijgen wegens onvoldoende langdurig onwerkbaar weer.