ECLI:NL:CRVB:2002:AE5667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurder voor niet-betaalde premies en boete onder Coördinatiewet Sociale Verzekering
Belanghebbende was bestuurder en aandeelhouder van een vennootschap die premies voor sociale werknemersverzekeringen niet betaalde. Het bestuursorgaan stelde haar hoofdelijk aansprakelijk voor deze premies en een boete wegens fraude. De rechtbank vernietigde de aansprakelijkheid voor de boete, maar handhaafde die voor de premies.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij niet aansprakelijk kon worden gesteld omdat zij tijdig een bedrijfsleider had aangesteld en dat de premievaststelling verjaard was. Het bestuursorgaan betoogde dat het niet nodig was te bewijzen dat belanghebbende zelf het verzuim had gepleegd, maar dat haar een verwijt kon worden gemaakt.
De Raad oordeelde dat bij het ontbreken van een juiste melding van betalingsonmacht het bestuursorgaan het vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet hoeft te bewijzen, maar dat de bestuurder dit vermoeden kan weerleggen. Belanghebbende slaagde hier niet in. De Raad verwierp het beroep op verjaring en stelde dat de aansprakelijkstelling binnen de wettelijke termijn was gedaan.
Ten aanzien van de boete oordeelde de Raad dat het voldoende is dat aan de bestuurder een verwijt kan worden gemaakt, ook als zij niet zelf het verzuim heeft gepleegd. De rechtbank had een te strikte maatstaf gehanteerd en de aansprakelijkheid voor de boete terecht vastgesteld.
De Raad vernietigde het bestreden vonnis en verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, bevestigde de aansprakelijkheid voor premies en boete en wees het beroep van het bestuursorgaan toe waar de rechtbank dat had verzuimd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkheid van belanghebbende voor de niet-betaalde premies en boete wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en verklaart haar beroep ongegrond.