ECLI:NL:CRVB:2005:AU1487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- M.C.M. van Laar
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid UWV tot invordering aansprakelijkstelling sociale zekerheidspremies
Appellant is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven sociale zekerheids-premies van een onderneming over de jaren 1988 en 1989. Na diverse procedures en herhaalde aansprakelijkstellingen heeft het UWV bij besluit van 28 februari 2001 het bedrag van de aansprakelijkstelling vastgesteld op f 88.060,64. Appellant betwistte de bevoegdheid tot invordering van dit bedrag, stellende dat artikel 13, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) van toepassing is en dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro is geschonden.
De Raad overweegt dat de invordering van het bedrag een afzonderlijk primair besluit betreft en dat artikel 13 CSV Pro niet van toepassing is op aansprakelijkstellingen op grond van artikelen 16c en 16d CSV. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en de wetsgeschiedenis, waarin is aangegeven dat een korte verjaringstermijn de bestrijding van misbruik zou kunnen doorkruisen. De Raad wijst erop dat een toepassing van artikel 13 CSV Pro zou leiden tot een kortere invorderingstermijn dan bij de primair premieplichtige, wat ongewenst is.
Ten aanzien van de klacht over schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro stelt de Raad vast dat het besluit van 28 februari 2001 het einde van de rechtsstrijd markeert en dat de termijn vanaf dat moment niet is overschreden. Appellant kan zich hierover wenden tot de burgerlijke rechter. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV bevoegd is het bedrag van de aansprakelijkstelling in te vorderen en wijst het hoger beroep af.