ECLI:NL:CRVB:2002:AE5834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen WAO-uitkeringsbesluit
Appellant, werkgever van een werknemer die sinds mei 1999 een WAO-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid, tekende bezwaar aan tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat de uitkering toekende. Het bezwaar werd primair niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen medische gronden aanvoerde. De rechtbank vernietigde deze niet-ontvankelijkverklaring, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant belanghebbende is en zijn bezwaar voldoende heeft gemotiveerd, zodat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. De medische besluitenregeling, waaronder de aanstelling van een arts-gemachtigde die medische gegevens mag inzien, wordt bevestigd als verenigbaar met artikel 6 EVRM Pro. Appellant weigerde echter een gemachtigde aan te wijzen, waardoor hij geen toegang kreeg tot medische gegevens.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en inhoudelijk juist is, mede op basis van de nadere toelichting van de werknemer over haar medische situatie. De gevolgen van appellants keuze om geen gemachtigde aan te wijzen, zijn voor zijn rekening. De Raad veroordeelt het UWV niet in proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, het bestreden besluit wordt op dat punt vernietigd en het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.