ECLI:NL:CRVB:2002:AE6792
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen beslaglegging op WW-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) genomen beslissing waarbij een beslag op zijn WW-uitkering werd uitgevoerd. De rechtbank had het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van dit bezwaar ongegrond verklaard. In hoger beroep stelt appellant dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard en dat niet alle relevante stukken zijn overgelegd.
De Raad overweegt dat de brief van appellant als bezwaarschrift moet worden beschouwd, ondanks dat sommige bezwaren in vragende vorm zijn gesteld. De primaire grond voor niet-ontvankelijkheid faalt daarom. De Raad oordeelt dat de beslissing van het Uwv betreffende de inhouding op de uitkering als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht moet worden aangemerkt.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor zover deze de niet-ontvankelijkverklaring betreffen en bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij het binnen de grenzen van het beslag moet blijven. De Raad wijst erop dat de civiele rechter bevoegd is om de geldigheid van het beslag te beoordelen. De Raad veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.