ECLI:NL:CRVB:2002:AF1664
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning nabestaanden- en halfwezenuitkering volgens Algemene nabestaandenwet
Appellante heeft een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering aangevraagd na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank kende deze uitkeringen toe met ingang van 1 december 1996. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond.
In hoger beroep betoogt appellante onder meer dat zij financieel nadeel ondervindt doordat de uitkeringen in één bedrag worden uitbetaald en dat er sprake zou zijn van verlies van eigendom in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Raad overweegt dat er geen sprake is van ontneming van een eerder toegekende uitkering en dus geen inbreuk op eigendomsrecht. Ook het verschil in hoogte van de uitkering tussen de Anw en de voorganger AWW leidt niet tot een schending van eigendomsrechten.
Verder wijst de Raad het beroep op algemene rechtsbeginselen af omdat toetsing van de wet aan deze beginselen niet is toegestaan volgens vaste jurisprudentie. De Raad merkt op dat voor het zogenaamde Anw-hiaat particuliere verzekeringen kunnen worden afgesloten en dat het niet uitkeren van een dergelijke verzekering het gevolg is van de voorwaarden van die verzekering en niet van het bestuursorgaan. Appellante wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor eventuele onrechtmatigheid jegens de Staat of het Verbond van Verzekeraars.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de nabestaanden- en halfwezenuitkering wordt bevestigd.