ECLI:NL:CRVB:2002:AF2374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging terugvordering eindejaarsuitkering bij nabestaandenuitkering
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) herzag in 1999 de hoogte van de nabestaandenuitkering van gedaagde over december 1998 en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit omdat de SVB onjuist had gehandeld door het volledige bedrag van de eindejaarsuitkering in één maand te verrekenen.
In hoger beroep betoogde de SVB dat volgens het Inkomens- en samenloopbesluit Anw inkomen dat in een bepaalde maand wordt genoten in die maand moet worden verrekend, met uitzondering van incidentele beloningen die niet tot een maandbedrag worden herleid. De Raad oordeelde dat hoewel gedaagde de eindejaarsuitkering in december 1998 ontving, het onredelijk is om het volledige bedrag in die maand te verrekenen, omdat gedaagde pas sinds november 1998 recht had op de nabestaandenuitkering.
De Raad stelde vast dat de SVB op grond van artikel 13 van Pro het Besluit het inkomen anders had moeten bepalen, namelijk door alleen rekening te houden met het deel van de eindejaarsuitkering dat in november en december 1998 was opgebouwd. De terugvordering en wijze van invordering konden daarom niet standhouden. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, met een proceskostenveroordeling ten laste van de SVB.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het terugvorderingsbesluit en legt een recht van € 327,-- op aan de Sociale Verzekeringsbank.