ECLI:NL:CRVB:2002:AF3734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn bij ontbinding arbeidsovereenkomst en WW-uitkering
Appellante was sinds 7 september 1992 in dienst bij een werkgever. De arbeidsovereenkomst werd door de kantonrechter ontbonden met ingang van 1 februari 2000. De vraag in geschil betrof de lengte en aanvang van de fictieve opzegtermijn in het kader van de Werkloosheidswet (WW), mede in verband met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid die per 1 januari 1999 van kracht werd.
De rechtbank had geoordeeld dat de opzegtermijn liep tot 15 februari 1999, met de eerste werkloosheidsdag op 16 februari 1999. Appellante stelde dat de fictieve opzegtermijn aanving op de dag na de ontbindingsbeschikking, 30 december 1998, en eindigde op 31 januari 1999, rekening houdend met de opzegtermijn en de aanzegtermijn volgens artikel 7:672 BW Pro.
De Raad overwoog dat de fictieve opzegtermijn inderdaad begint op de dag na de ontbindingsbeschikking en dat de opzegtermijn van twee maanden verminderd met de rda-maand geldt. Tevens moet de aanzegtermijn volgens artikel 7:672 BW Pro worden meegenomen, wat leidt tot een latere einddatum. De arbeidsovereenkomst bepaalde dat opzegging kon plaatsvinden tegen het einde van een vierwekenperiode, wat afwijkt van de hoofdregel van opzegging tegen het einde van de maand. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.