ECLI:NL:CRVB:2002:AF7684

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/2653 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 8:75 AwbArt. 14 Bijdragebesluit zorgAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit eigen bijdrage AWBZ-instelling ondanks medische geschilpunten

Appellant verbleef meerdere malen in een AWBZ-instelling en was daarbij een eigen bijdrage verschuldigd. Na een hernieuwde opname stelde de zorgverzekeraar de eigen bijdrage vast op een hoger bedrag, waartegen appellant bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard en het beroep bij de rechtbank werd eveneens afgewezen.

In hoger beroep voerde appellant aan dat sprake was van een samenhangend medisch feitencomplex en dat bij het eerste ontslag een medische beoordelingsfout was gemaakt. De Raad overwoog echter dat deze medische aspecten niet relevant zijn voor de beoordeling van de eigen bijdrage binnen het overgangsrecht. Tevens concludeerde de Raad dat uit medische rapportages geen beoordelingsfout bleek.

De Raad benadrukte dat de regeling bewust een afweging van belangen bevat en dat terughoudendheid geldt bij toetsing van algemeen verbindende voorschriften zoals het Bijdragebesluit zorg. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit over de eigen bijdrage en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

01/2653 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
OHRA Ziektekostenverzekeringen N.V, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 19 maart 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 oktober 2002, waar appellant en zijn gemachtigde - met bericht- niet zijn verschenen, terwijl gedaagde is verschenen bij haar gemachtigde mr. drs. N.J.E.G. Cremers.
II. MOTIVERING
Aan de stukken en de aangevallen uitspraak ontleent de Raad het volgende.
Appellant is in verband met een kijkoperatie op 24 november 1995 opgenomen in het VU-ziekenhuis te Amsterdam. Appellant is teneinde te herstellen op 18 januari 1996 opgenomen in [naam tehuis] te Amstelveen, een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Op 20 december 1996 is appellant uit [naam tehuis] ontslagen. In verband met een verslechterende gezondheidstoestand is appellant op 15 januari 1997 opgenomen voor een operatie in het Slotervaartziekenhuis te Amsterdam. Om te revalideren is appellant aansluitend op 26 maart 1997 weer opgenomen in [naam tehuis]. Deze opname is op 7 oktober 1997 beëindigd.
In 1996 was eiser, als gehuwde, ter zake van zijn verblijf in [naam tehuis], na een wachttijd van zes maanden, een eigen bijdrage van f 210,-- per maand verschuldigd.
Op 1 januari 1997 zijn de bijdragen die verschuldigd zijn voor het verblijf in een AWBZ-instelling geregeld in het Bijdragebesluit zorg. Op grond van artikel 14 van Pro dat besluit heeft gedaagde bij primair besluit van 11 september 1997 de eigen bijdrage van appellant met ingang van 26 maart 1997, de dag waarop appellant wederom werd opgenomen in [naam tehuis], vastgesteld op f 1085,-- per maand.
Het tegen het primair besluit ingediende bezwaarschrift heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 19 mei 1998 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Hetgeen gemachtigde van appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is voor het overgrote deel een herhaling van de in eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen, welke stellingen naar het oordeel van de Raad door de rechtbank op goede gronden zijn verworpen. Desalniettemin overweegt de Raad naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd nog het volgende. Namens appellant is benadrukt dat het gaat om een samenhangend medisch feitencomplex en dat er ten tijde van het eerste ontslag uit [naam tehuis] een medische beoordelingsfout is gemaakt. De Raad is van oordeel dat de vraag of er sprake is van een samenhangend medisch complex of van een medische fout voor de beoordeling van de eigen bijdrage in het kader van het te dezen van toepassing zijnde overgangsrecht, in aanmerking genomen de bewoordingen daarvan, niet relevant is. De Raad wijst er overigens op dat uit de rapportage van de arts I.H. Liem niet valt af te leiden dat er inderdaad sprake is geweest van een medische beoordelingsfout.
De Raad trekt niet in twijfel dat er voor appellant belangrijke financiële consequenties zijn verbonden aan het betalen van de hogere eigen bedrage. De Raad is evenwel van oordeel dat nu er een overgangsregeling in het leven is geroepen, waarbij rekening is gehouden met die financiële gevolgen, en appellant niet onder de werking van die overgangsregeling is gebracht, dit op een uitdrukkelijke keuze van de regelgever berust, die daarbij een afweging van de betrokken belangen heeft gemaakt. Voor een nadere toetsing van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in die zin dat de toepassing van artikel 14 van Pro het Bijdragebesluit zorg in het onderhavige geval achterwege zou moeten blijven, bestaat gelet op de terughoudendendheid die de rechter in acht behoort te nemen bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften, zoals in casu de Bijdrageregeling zorg, in aanmerking genomen de door de regelgever in casu gemaakte afweging, naar het oordeel van de Raad geen aanleiding.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Daarom moet als volgt worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2002.
(get.) R.M. van Male
(get.) A. van Netten
JK10122