ECLI:NL:CRVB:2003:AF5530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens niet-aanvaarden WSW-functies
Appellante was werkzaam in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en kreeg na het einde van haar detachering twee functies aangeboden die zij afwees. Het UWV weigerde haar WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zij volgens het UWV onnodig passief meewerkte aan het beëindigen van haar dienstbetrekking door de aangeboden functies niet te aanvaarden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit besluit. De Raad oordeelt dat het weigeren van de aangeboden WSW-functies niet kan worden gezien als actief of passief meewerken aan de beëindiging van de dienstbetrekking, omdat het aanbieden van deze functies niet als initiatief van het WSW-orgaan tot beëindiging kan worden aangemerkt.
Verder stelt de Raad dat arbeid in een dienstbetrekking krachtens de WSW niet als passende arbeid wordt beschouwd volgens artikel 24, vierde lid, van de WW, waardoor het niet aanvaarden van deze functies geen grond is voor een maatregel van blijvende weigering van uitkering. Ook is geen sprake van verwijtbare werkloosheid, omdat appellante niet gehouden was de functies te aanvaarden jegens de werkgever.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten en wettelijke rente over de achterstallige uitkering vanaf 1 maart 1998 en bepaalt dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente.