ECLI:NL:CRVB:2003:AF5823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling betalingsonmacht werkgever en overname betalingsverplichtingen volgens artikel 62 WW
Gedaagden waren werknemers van een vennootschap onder firma (Vof) die op staande voet werden ontslagen en hun ontslag in rechte aanvochten. De kantonrechter verklaarde het ontslag nietig en veroordeelde de Vof tot betaling van achterstallig loon. Pogingen tot executie faalden doordat de Vof in staat van faillissement werd verklaard en niet meer kon betalen.
Het UWV (voorheen Lisv) weigerde de betalingsverplichtingen van de Vof over te nemen op grond van artikel 62 WW Pro, stellende dat het niet-geldend maken van de vorderingen niet uitsluitend het gevolg was van betalingsonmacht, maar mede door onvoldoende voortvarende actie van gedaagden.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat gedaagden voldoende voortvarend hadden gehandeld en dat het niet-geldend maken van de vorderingen uitsluitend door betalingsonmacht kwam. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep van het UWV af, waarbij het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en de bestreden besluiten worden bevestigd.