ECLI:NL:CRVB:2003:AF6194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over definitieve vaststelling arbeidsongeschiktheid na maximale termijn AAW
Appellant, een voormalig zelfstandig varkensmester, werd sinds 1985 gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en ontving een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Na de maximale toepassingsduur van artikel 33 AAW Pro werd zijn arbeidsongeschiktheidspercentage definitief vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 45 tot 55%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de rechtbank Breda werd vernietigd wegens strijd met het beleid rond middeling van inkomsten bij wisselende verdiensten. De rechtbank liet echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat een alternatieve berekening een vergelijkbaar percentage opleverde.
In hoger beroep stelde appellant dat de schatting op basis van inkomsten niet juist was en dat het overgangsrecht van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) een andere methode voorschreef, namelijk de taak-/urenvergelijking. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gebruikte methode van middeling van inkomsten rechtens toelaatbaar is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat artikel 33, tweede lid, AAW geen expliciete methodiek voorschrijft voor de schatting na de maximale periode en dat de gekozen methode aansluit bij het doel en de strekking van de wet. Ook het overgangsrecht staat een schatting op basis van inkomstenvergelijking niet in de weg. De Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding tot kostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het vernietigde besluit en wijst het hoger beroep van appellant af.