ECLI:NL:CRVB:2002:AE9321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over intrekking AAW/WAO-uitkeringen en toepassing anticumulatie
Appellant, sinds 1963 werkzaam als directeur en enig aandeelhouder van een BV, werd sinds 1987 medisch voor 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Vanaf 1988 ontving hij inkomsten uit arbeid en werden zijn AAW/WAO-uitkeringen deels geschorst en later ingetrokken op grond van anticumulatiebepalingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit per 1 augustus 1996 gegrond, omdat de berekening niet was gebaseerd op de juiste inkomensjaren. Het UWV stelde een nieuw besluit vast (besluit 3) dat opnieuw de uitkeringen introk per genoemde datum, gebaseerd op een schatting van arbeidsongeschiktheid onder toepassing van de anticumulatieregeling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de anticumulatie maximaal drie jaar kan worden toegepast vanaf de eerste dag dat inkomsten uit arbeid worden meegenomen, hier 1 februari 1994, waardoor toepassing over 1995 gerechtvaardigd is. Echter, de schatting van de arbeidsongeschiktheid per 1 augustus 1996 voldoet niet aan het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat medische beoordeling ontbreekt en de feitelijke aard van de verrichte arbeid onvoldoende is beschreven.
Daarom vernietigt de Raad het intrekkingsbesluit van 1 augustus 1996 (besluit 3) en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak bevestigt de systematiek van anticumulatie en daadwerkelijke schatting binnen het arbeidsongeschiktheidsrecht.
Uitkomst: Het intrekkingsbesluit van de AAW/WAO-uitkeringen per 1 augustus 1996 wordt vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.