ECLI:NL:CRVB:2003:AF7496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilstelling grondslag arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandige volgens WAZ
Appellant, een zelfstandige bakker, werd in oktober 1998 volledig arbeidsongeschikt door een ongeval. Hij had in 1997 en 1998 geen winst maar verlies geleden. Gedaagde kende hem op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) een uitkering toe met een grondslag van nihil, waardoor geen uitkering werd uitbetaald.
Appellant stelde dat hij voldeed aan de inkomenseis en verwees naar de oude regeling onder de AAW, waarin fictief inkomen werd gehanteerd. De Raad oordeelde echter dat de WAZ uitdrukkelijk kiest voor feitelijke inkomensderving en dat artikel 9 van Pro het Inkomensbesluit WAZ voorschrijft dat bij negatieve winst de winst op nihil wordt gesteld.
De Raad nam de overwegingen van de rechtbank Maastricht over en verwierp het beroep van appellant. Tevens oordeelde de Raad dat de bezwaren omtrent terugkrijgen van oude rechten onder de Werkloosheidswet irrelevant zijn voor de berekening van de WAZ-uitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De grondslag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is terecht op nihil gesteld vanwege negatieve winst in de referentieperiode.