ECLI:NL:CRVB:2005:AU9537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihilstelling grondslag WAZ-uitkering bij negatieve winst zelfstandige
Appellant was vanaf 1 maart 1999 actief als zelfstandige in de horeca, maar staakte zijn werkzaamheden op 1 januari 2000 wegens letsel. Uit de balans per 31 december 1999 bleek dat appellant geen winst had gemaakt, maar verlies leed. De uitkeringsgrondslag voor de WAZ-uitkering werd daarom op nihil gesteld, waardoor geen uitkering werd uitbetaald.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat de hardheidsclausule uit het Inkomensbesluit WAZ toegepast had moeten worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de wetgever bij de WAZ heeft gekozen voor het beginsel van feitelijke inkomensderving, waardoor de grondslag op nihil terecht was vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat de hardheidsclausule slechts in specifieke situaties kan worden toegepast en dat de situatie van een startende ondernemer zonder winst niet onder deze clausule valt. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en de wetsgeschiedenis die bevestigen dat geen afwijkende systematiek voor startende zelfstandigen is voorzien.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de grondslag van de WAZ-uitkering terecht op nihil is gesteld vanwege negatieve winst, waardoor appellant geen uitkering ontvangt.