ECLI:NL:CRVB:2003:AH8697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WW-uitkering bij fictieve opzegtermijn en meerdere dienstbetrekkingen
Appellante trad op 19 april 1999 in dienst bij een werkgever en haar arbeidsovereenkomst werd op 1 oktober 1999 ontbonden door een kantonrechter, waarbij een vergoeding van twee maandsalarissen werd toegekend. Appellante vroeg per 11 oktober 1999 een WW-uitkering aan, maar deze werd afgewezen omdat zij geacht werd recht te hebben op loonbetaling tot 1 november 1999, de fictieve opzegtermijn.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de vergoeding de loonbetaling over de opzegtermijn dekt en dat er geen sprake was van werkloosheid in de periode van 11 tot 27 oktober 1999. Appellante ging in hoger beroep en betoogde dat artikel 16, eerste lid, van de WW alleen betrekking heeft op werkloosheid uit de laatste dienstbetrekking.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor de beoordeling van het recht op WW-uitkering niet alleen de laatste dienstbetrekking relevant is, maar ook loonbetalingen uit andere dienstverbanden die het arbeidsurenverlies beïnvloeden. Hierdoor werd bevestigd dat appellante geen recht had op WW-uitkering in de fictieve opzegtermijn tot 1 november 1999. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd uitgesloten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht had op WW-uitkering tijdens de fictieve opzegtermijn tot 1 november 1999.