ECLI:NL:CRVB:2003:AO1150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en beoordeling redelijke termijn
Appellante ontving sinds 1989 bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW). Gedaagde beëindigde de uitkering per 18 oktober 1996 omdat appellante niet was verschenen voor het verstrekken van inlichtingen. Later werd vastgesteld dat appellante van 21 mei tot 20 december 1996 in Oostenrijk gedetineerd was, waar haar noodzakelijke kosten werden gedekt. Gedaagde trok de bijstand over de periode van detentie terug en vorderde de kosten terug.
De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Raad bevestigt dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door haar detentie niet tijdig te melden, waardoor intrekking en terugvordering terecht waren. Het territorialiteitsbeginsel en het aanvullende karakter van de ABW verhinderen bijstandsverlening tijdens buitenlandse detentie.
De Raad oordeelt dat geen schending is van het recht op een redelijke termijn in de bestuurlijke fase, maar constateert wel een schending in de rechterlijke fase vanwege de duur van de procedure. De Raad beveelt een nieuw besluit op bezwaar aan met inachtneming van de juiste toepassing van de beslagvrije voet bij terugvordering. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd, met een opdracht tot een nieuw besluit over de wijze van terugvordering.