ECLI:NL:CRVB:2003:AI0178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Betaling ziekengeld aan vreemdeling na beëindiging onrechtmatig verblijf
Gedaagde, een Turkse vreemdeling, ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. De betaling werd op 1 juli 1998 opgeschort omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef. Nadat hij op 28 oktober 1998 rechtmatig verblijf verkreeg, weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het ziekengeld met terugwerkende kracht vanaf 8 oktober 1998 uit te betalen.
De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde dat het ziekengeld alsnog over deze periode betaald moet worden. De Raad onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat opschorting van betaling betekent dat de betaling wordt uitgesteld en alsnog moet plaatsvinden zodra de reden voor opschorting wegvalt.
De Raad wijst erop dat de wetgever in artikel 41 van Pro de Ziektewet bewust heeft gekozen voor opschorting en niet voor definitieve weigering van betaling. De uitzondering voor terugwerkende kracht bij vestiging in het buitenland sluit niet uit dat bij rechtmatig verblijf in Nederland de betaling met terugwerkende kracht hervat moet worden.
De Raad veroordeelt het Uwv in de proceskosten van gedaagde en bevestigt het bestreden besluit van de rechtbank.
Uitkomst: Het ziekengeld dat was opgeschort wegens onrechtmatig verblijf moet alsnog met terugwerkende kracht worden uitbetaald vanaf het moment van opschorting tot rechtmatig verblijf.