ECLI:NL:CRVB:2006:AX8904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting WAO-uitkering wegens niet-rechtmatig verblijf in Nederland
Appellant ontving sinds 1997 een WAO-uitkering, berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een melding van de Dienst Vreemdelingenpolitie dat appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef, schortte het UWV in 2001 de uitkering op. Appellant maakte bezwaar en startte een beroepsprocedure, waarbij hij stelde rechtmatig te verblijven op grond van een voorlopige voorziening in een vreemdelingenprocedure.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en maakte gebruik van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen, waarbij werd geoordeeld dat het UWV terecht de uitkering opschortte. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet was gewezen op de mogelijkheid van kortsluiting en dat hij recht had op hervatting van de uitkering.
De Raad oordeelde dat de voorzieningenrechter terecht direct uitspraak deed en dat het UWV op grond van artikel 50a WAO verplicht was de uitkering op te schorten zolang het rechtmatig verblijf niet was aangetoond. De voorlopige voorziening in de vreemdelingenprocedure deed hieraan niet af. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees erop dat bij beëindiging van het onrechtmatig verblijf de uitkering met terugwerkende kracht kan worden hervat.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de opschorting van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland.