ECLI:NL:CRVB:2003:AI0184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Opschorting en uitbetaling WAO-uitkering bij onrechtmatig verblijf in Nederland
Gedaagde, een Turkse nationaliteit dragende persoon, werd arbeidsongeschikt in oktober 1997 terwijl hij zonder rechtmatig verblijf in Nederland verbleef. Appellant, het UWV, had de WAO-uitkering opgeschort vanaf 6 februari 1999 tot 25 mei 1999 vanwege het onrechtmatig verblijf. Gedaagde maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze opschorting.
De rechtbank oordeelde dat de uitkering met terugwerkende kracht moet worden uitbetaald zodra rechtmatig verblijf is vastgesteld. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het besluit van het UWV om geen voorschotten te verstrekken over de genoemde periode niet standhoudt. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het primaire besluit van 21 oktober 1998 voor zover deze betrekking hebben op de periode van 6 februari 1999 tot 25 mei 1999.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. De Raad benadrukt dat de opschorting van de uitkering niet betekent dat de uitkering over de opschortingsperiode niet alsnog moet worden uitbetaald zodra rechtmatig verblijf is erkend.
Uitkomst: De WAO-uitkering die was opgeschort wegens onrechtmatig verblijf moet met terugwerkende kracht worden uitbetaald zodra rechtmatig verblijf is vastgesteld.