ECLI:NL:CRVB:2003:AI0738
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th. G.M. Simons
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1980 met onderbrekingen een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW), later omgezet in de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam herzag haar uitkering over de periode 1994-1997 en besloot deze in te trekken en terug te vorderen wegens vermeende verzwegen gezamenlijke huishouding en inkomsten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat onvoldoende bewijs was voor een gezamenlijke huishouding, maar dat er wel sprake moest zijn van verzwegen inkomsten en een schending van de inlichtingenplicht. Zowel appellante als het College gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat er onvoldoende feiten en bewijs waren om het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen in de relevante periodes, en dat het uitgavenpatroon slechts indicatief was voor enige financiële ondersteuning in een beperkte periode. Er was geen toereikende feitelijke grondslag om te concluderen dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
Daarom vernietigde de Raad het besluit van 2 november 1999 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding en geen schending inlichtingenplicht.