ECLI:NL:CRVB:2003:AM3275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging maatregel blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens onjuiste feitelijke grondslag
Appellant kreeg vanaf 8 juli 1996 een loongerelateerde WW-uitkering. Gedaagde (Uwv) legde op 9 december 1999 een maatregel op van blijvende gehele weigering van uitkering wegens het niet aanvaarden van passende arbeid, terugvordering van onverschuldigde uitkering en een boete wegens niet-naleving van mededelingsplicht.
De Raad oordeelt dat het besluit berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Uit stukken blijkt dat appellant niet daadwerkelijk een concreet werkaanbod bij het bedrijf heeft geweigerd, maar slechts is voorgesteld voor een sollicitatieprocedure die hij zelf niet wilde voortzetten. De kans dat appellant daadwerkelijk aangenomen zou worden is onzeker, waardoor het opleggen van de maatregel niet kan worden gehandhaafd.
Ook de terugvordering van de uitkering en de boete worden vernietigd omdat de grondslag voor de maatregel ontbreekt. De Raad benadrukt het belang van zorgvuldig onderzoek bij het opleggen van dergelijke verstrekkende maatregelen.
De uitspraak vernietigt het bestreden besluit en beveelt gedaagde tot hernieuwde besluitvorming waarbij ook het verzoek tot vergoeding van renteschade betrokken moet worden. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering WW-uitkering, terugvordering en boete wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen opnieuw te beslissen.