ECLI:NL:CRVB:2003:AN8441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling woonplaats en terugvordering WW-uitkering bij verblijf in België
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stelde dat gedaagde ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen omdat hij vanaf 29 april 1994 niet meer in Nederland woonde, maar in België verbleef zonder dit te melden. De rechtbank had de beroepen van gedaagde tegen de terugvorderingsbesluiten gegrond verklaard omdat onvoldoende was aangetoond dat gedaagde langer dan zes maanden buiten Nederland verbleef.
De Raad stelt dat de feitelijke omstandigheden bepalend zijn voor de woonplaats en dat inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) onvoldoende bewijs is voor feitelijk verblijf. Uit verklaringen van gedaagdes ex-echtgenote en andere bewijsstukken blijkt dat gedaagde vanaf april 1994 tot minstens maart 1995 in Brasschaat (België) woonde.
De Raad verwierp het verweer dat Europese regelgeving in strijd zou zijn met de WW-bepalingen en oordeelde dat de terugvordering terecht is vastgesteld. Ook het bezwaar tegen de afbetalingsregeling werd ongegrond verklaard. De Raad vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond.
Uitkomst: De beroepen tegen de bestreden besluiten worden ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WW-uitkering en terugvordering blijft in stand.