Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf 20 april 2011 een WW-uitkering. Naar aanleiding van anonieme tips verrichtte het Uwv onderzoek en concludeerde dat appellante niet langer in Nederland woonde. Op basis hiervan trok het Uwv de uitkering in en vorderde het onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het Uwv voldoende feitelijke grondslag had voor haar standpunt. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij weliswaar een vakantiehuisje in België had, maar ook een kamer en postadres in Nederland, en dat zij beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt.
De Raad oordeelde dat het feitelijke verblijf leidend is voor de woonplaats en dat inschrijving in de GBA niet doorslaggevend is. Uit verklaringen bleek dat appellante sinds 1989 in België woonde en het Nederlandse adres slechts een postadres was. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij de kamer in Nederland huurde vanaf de relevante datum.
Daarom had zij op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht op de uitkering vanaf 20 april 2011. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking en terugvordering van de uitkering bevestigd. Verzoek om wettelijke rente werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering is terecht omdat appellante feitelijk buiten Nederland woonde vanaf 20 april 2011.