ECLI:NL:CRVB:2003:AN9045
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling pleegkindstatus voor kinderbijslag bij verzorging pleegkinderen na overlijden moeder
Gedaagde verzocht kinderbijslag voor drie pleegkinderen die sinds september 2000 tot zijn huishouden behoren. De Sociale verzekeringsbank weigerde de kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2000 omdat op dat moment de voogdij nog niet formeel was aanvaard. De rechtbank oordeelde dat de kinderen vanaf 21 september 2000 door gedaagde en zijn echtgenote werden verzorgd en opgevoed en dat zij derhalve als pleegkinderen moesten worden aangemerkt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat een kind als pleegkind geldt indien het als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed, waarbij sprake moet zijn van een nauwe en exclusieve opvoedingsrelatie die duurzaam en bestendig is. De Raad acht bewezen dat deze relatie reeds op 1 oktober 2000 bestond, mede door de testamentaire voogdij benoeming en de feitelijke verzorging door gedaagde en zijn echtgenote.
De Raad wijst erop dat de bezoekregeling met de vader geen afbreuk doet aan de pleegkindstatus, omdat de vader geen rol in de opvoeding wenste te vervullen en instemde met de overdracht van de zorg. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met de verplichting voor appellant een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kinderen vanaf 1 oktober 2000 als pleegkinderen van gedaagde moeten worden aangemerkt, met recht op kinderbijslag.