ECLI:NL:CRVB:2003:AO0320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over lengte fictieve opzegtermijn WW-uitkering
In deze zaak gaat het om de vaststelling van de lengte van de fictieve opzegtermijn in het kader van een WW-uitkering. Gedaagde was sinds 1981 in dienst bij een rechtsvoorganger van Stichting Abrona. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter in 1999 vroeg gedaagde een WW-uitkering aan. Appellant, het UWV, stelde de eerste werkloosheidsdag vast op 1 mei 1999, uitgaande van een fictieve opzegtermijn van twee maanden plus een aanzegtermijn.
Gedaagde betwistte de rechtsgeldigheid van de opzegtermijn van twee maanden en stelde dat de wettelijke termijn van één maand geldt. De rechtbank oordeelde dat de opzegtermijn van twee maanden rechtsgeldig was, maar dat de aanzegtermijn ten onrechte was meegeteld, en vernietigde het besluit van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel en stelde dat de arbeidsovereenkomst geen uitdrukkelijke en eenduidige afwijking van de wettelijke opzegtermijn bevatte. Daarom geldt de wettelijke termijn van één maand. Wel moet bij het bepalen van het einde van de fictieve opzegtermijn rekening worden gehouden met de aanzegtermijn, waardoor de fictieve opzegtermijn eindigt op 31 maart 1999. De Raad vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: De fictieve opzegtermijn wordt vastgesteld op één maand met inachtneming van de aanzegtermijn, en het besluit van het UWV wordt vernietigd.