ECLI:NL:CRVB:2003:AG0231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Objectieve rechtvaardiging van langere fictieve opzegtermijn voor werknemers ouder dan 45 jaar
In deze zaak staat de lengte van de fictieve opzegtermijn volgens artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet centraal. De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stelt zich op het standpunt dat de fictieve opzegtermijn correct is vastgesteld op basis van de tot 1 januari 1999 geldende wettelijke regeling en de toepasselijke CAO.
De rechtbank Breda had het bestreden besluit vernietigd omdat de aanzegtermijn niet in aanmerking was genomen bij de berekening van de fictieve opzegtermijn. In hoger beroep bevestigt de Raad dat de aanzegtermijn wel moet worden meegenomen en dat het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag. Desondanks laat de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de opzegtermijn volgens de CAO 10 weken bedraagt, wat leidt tot een fictieve opzegtermijn tot 31 juli 1999.
Daarnaast oordeelt de Raad dat het onderscheid in opzegtermijnen voor werknemers ouder dan 45 jaar, zoals bepaald in de CAO, objectief gerechtvaardigd is. Dit onderscheid is bedoeld om oudere werknemers extra arbeidsrechtelijke bescherming te bieden en vormt geen verboden discriminatie, ook niet als dit in het kader van de WW tot een nadelig effect leidt.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de beslissingen over griffierecht en proceskosten, bevestigt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.