ECLI:NL:CRVB:2003:AO1141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Verplichting tot tijdige ziekmelding bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkgever van een werkneemster die op 15 januari 1999 opnieuw arbeidsongeschikt werd. Gedaagde, het UWV, kende een WAO-uitkering toe met terugwerkende kracht vanaf 17 november 1999, omdat appellante de melding van de arbeidsongeschiktheid niet tijdig had gedaan zoals vereist in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet. De melding had uiterlijk op 15 april 1999 moeten plaatsvinden, maar werd pas op 18 mei 1999 ontvangen.
Appellante voerde aan dat zij al op 11 december 1998 een ziekmelding had gedaan en dat op 15 januari 1999 eveneens aangifte was gedaan. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs boden dat de melding op 15 januari 1999 was gedaan. Ook de stelling dat de eerdere ziekmelding van 11 december 1998 betekenis had werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat de werkgever verplicht is bij een nieuwe arbeidsongeschiktheid onverwijld aangifte te doen, ook als deze volgt binnen vier weken na herstel van een eerdere ziekteperiode. De Raad oordeelde dat de stukken niet voldoende aantonen dat de melding op 15 januari 1999 was gedaan en dat een verwijzing naar eerdere ziekmelding niet volstaat. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
De Raad overwoog tevens dat de werkgever het risico draagt voor eventuele fouten van de arbodienst bij het niet tijdig melden van arbeidsongeschiktheid. De verplichting tot melding is van groot belang en wordt ondersteund door wettelijke sancties bij niet-naleving. Er is geen reden om af te wijken van het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante verplicht was tijdig aangifte te doen van de hernieuwde arbeidsongeschiktheid en dat het bestreden besluit in stand blijft.