ECLI:NL:CRVB:2003:AO1965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.G. Kasdorp
- G.L.M.J. Stevens
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Geen uitkering voor tijdelijk in Nederland gelegerde militair als belanghebbende
Appellant, woonachtig in de Verenigde Staten, verzocht om een uitkering op grond van het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid, bedoeld voor Joodse vervolgingsslachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog woonplaats in Nederland hadden. Het bestuur wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan het criterium van woonplaats in Nederland tussen 10 mei 1940 en 8 mei 1945.
Appellant voerde aan dat hij als militair van de Koninklijke brigade 'Prinses Irene' van november 1944 tot september 1945 in Nederland was gelegerd en dat zijn terugkeer naar de VS niet vrijwillig was. Ook stelde hij dat familieleden bezittingen en leven hadden verloren door de bezetter. De Raad oordeelde echter dat tijdelijke legering niet gelijkstaat aan vestiging of woonplaats, die wordt gekenmerkt door het hebben van het hoofdverblijf met gezin en het centrum van sociale en zakelijke activiteiten.
De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant zelf bezittingen had verloren, hetgeen de beleidsveronderstelling ondersteunt dat personen die buiten Nederland woonden tijdens de oorlog geen aanspraak maken op uitkering. De Raad concludeerde dat het bestuur in redelijkheid tot weigering van de uitkering heeft kunnen komen en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: Appellant wordt niet erkend als belanghebbende en krijgt geen uitkering toegekend.