ECLI:NL:CRVB:2003:AO3573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.M. van Male
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand van 1 november 1993 tot 31 januari 1998. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag en trok deze uitkering in vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht, waaronder het niet melden van vermogen in het buitenland en inkomsten uit het maken van kleding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de verklaringen van appellante en haar partner tijdens het opsporingsonderzoek niet als bewijs konden worden meegewogen. Wel bleek dat appellante beschikte over bankrekeningen en onroerend goed in Suriname, waarvan geen volledige duidelijkheid over de waarde was.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden, maar dat deze schending op zichzelf onvoldoende grond bood voor intrekking van de bijstand. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven omdat niet kon worden vastgesteld of appellante recht had op bijstand.
De Raad bevestigde dat de intrekking en terugvordering terecht waren, maar beoordeelde de terugvordering voor de periode tot 1 januari 1996 op grond van de ABW en daarna op grond van de Abw. Er waren geen dringende redenen om van intrekking af te zien. Tot slot veroordeelde de Raad de gemeente Rotterdam in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Besluit tot intrekking en terugvordering bijstand vernietigd, rechtsgevolgen blijven in stand, gemeente veroordeeld in proceskosten.