ECLI:NL:CRVB:2003:AO3586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvragen wegens onduidelijkheid woonsituatie
Appellant diende op 8 juni 1999 en 13 december 1999 twee bijstandsaanvragen in bij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Beide aanvragen werden afgewezen omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde. Gedaagde voerde onder meer huisbezoeken uit waarbij bleek dat anderen de woning gebruikten en appellant geen persoonlijke bezittingen in de woning had. Ook gaf appellant geen melding van onderhuur of aanwezigheid van anderen in de woning, wat in strijd was met zijn inlichtingenplicht.
Appellant stelde bezwaar in tegen de besluiten, dat tijdig werd geacht ondanks onduidelijkheid over de verzenddatum van het eerste besluit. De Raad oordeelde dat het voor de beoordeling van het recht op bijstand essentieel is dat de belanghebbende juiste informatie verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Appellant had dit nagelaten, waardoor gedaagde niet kon vaststellen of hij recht had op bijstand.
De Raad concludeert dat de afwijzing van beide aanvragen terecht was en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 23 december 2003 door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke woonsituatie van appellant.