ECLI:NL:CRVB:2003:AO5241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks buitenlandse EU-Rente
Appellante ontving vanaf 8 augustus 1996 een WAO-uitkering. Later bleek dat zij ook een Duitse arbeidsongeschiktheidsrente (EU-Rente) ontving, die van invloed was op de hoogte van de Nederlandse uitkering. Gedaagde, het UWV, vorderde daarom het onverschuldigd betaalde bedrag terug over de periode 8 augustus 1996 tot en met 28 februari 1998.
Appellante stelde dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het UWV rechtstreeks de Duitse instantie zou benaderen en dat zij niet op de hoogte was van haar mededelingsplicht. Ook voerde zij aan dat het UWV pas op 7 februari 1997 kennis had genomen van de Duitse rente, wat volgens haar tot een vermindering van het terug te vorderen bedrag zou moeten leiden.
De Raad oordeelde dat de terugvordering terecht was en dat de stellingen van appellante geen invloed hadden op de grond voor terugvordering. De zogenoemde zes maanden-jurisprudentie werd niet toegepast na 1 augustus 1996. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag aan WAO-uitkering.