ECLI:NL:CRVB:2003:AU7660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering ondanks boedelscheiding
Appellante ontving vanaf 22 juli 1994 tot 1 juni 1997 een bijstandsuitkering als éénoudergezin. Na afronding van haar echtscheiding kreeg zij op 2 oktober 1997 een bedrag van bijna 28.000 gulden gestort. De gemeente vorderde vervolgens een deel van de bijstand terug, omdat appellante over middelen beschikte waarover zij tijdens de bijstandperiode niet kon beschikken.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen de terugvordering ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad stelde vast dat artikel 58, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) de wettelijke grondslag vormt voor terugvordering van bijstandskosten wanneer middelen later beschikbaar komen.
Appellante stelde dat de gemeente ten onrechte niet had geprobeerd verhaal te halen op haar ex-echtgenoot. De Raad oordeelde echter dat de vraag of verhaal op de ex-echtgenoot mogelijk is buiten dit geding valt en dat de gemeente vrij is te kiezen welke weg zij volgt om terugvordering te realiseren. De mogelijkheid om verhaal te zoeken op de ex-echtgenoot vormt geen reden om af te zien van terugvordering bij appellante zelf.
De Raad wees ook het beroep op dringende redenen af om van terugvordering af te zien en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Daarmee bleef de terugvordering van f 11.227,15 aan bijstandskosten in stand.
Uitkomst: De terugvordering van f 11.227,15 aan bijstandskosten wordt bevestigd; verhaal op ex-echtgenoot valt buiten dit geding.