ECLI:NL:CRVB:2018:3341
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering woonkostentoeslag ondanks beslag en schulden niet aannemelijk
Appellante ontving bijzondere bijstand voor woonkosten vanaf 1997, welke later werd teruggevorderd door het college op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar schulden, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
De Raad oordeelt dat het college terecht terugvordering toepaste omdat appellante op het moment van terugvordering over de middelen kon beschikken, ondanks dat er conservatoir beslag lag. Schulden die appellante stelde waren niet aannemelijk gemaakt met objectieve stukken en schulden na de aanspraakdatum blijven buiten beschouwing.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, maar veroordeelt het college wel tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De terugvordering wordt beperkt tot de hoofdsom, met toezegging van terugbetaling van teveel geïncasseerde bedragen.
Uitkomst: De terugvordering van de woonkostentoeslag door het college wordt bevestigd, met beperking tot de hoofdsom en vergoeding van proceskosten aan appellante.