ECLI:NL:CRVB:2004:AO2069

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4039 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering functiewaardering hoofd PZ op schaal 11 ondanks gelijkwaardigheid functies

Appellant, werkzaam als hoofd Stafafdeling Personeelszaken (hoofd PZ) bij de dienst Stadsontwikkeling en Openbare Werken, verzocht om aanpassing van zijn functiewaardering van schaal 10A naar schaal 11. Dit verzoek volgde op de waardering van een gelijkwaardige functie, hoofd PZ van de Bestuursdienst, op schaal 11 in 1998. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen weigerde dit verzoek na advies en handhaafde dit besluit na bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er aanvankelijk sprake was van functietechnische verschillen tussen de functies, en dat het College niet gehouden was een onjuiste waardering te herhalen. In hoger beroep erkenden partijen dat de functies gelijkwaardig zijn en dat de waardering van de hoofd PZ van de Bestuursdienst op schaal 11 onjuist was.

Appellant stelde dat het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel hem recht geven op inschaling op schaal 11. De Raad oordeelde echter dat het College niet verplicht is een foutieve waardering te herhalen en dat de juiste waardering van appellant's functie schaal 10A is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt daarom.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep van appellant af. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt afgewezen en de functiewaardering op schaal 10A wordt bevestigd.

Uitspraak

02/4039 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2002, nr. AWB 01/3667 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J.F. Snoek, werkzaam bij gedaagdes gemeente.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als Hoofd Stafafdeling Personeelszaken (verder: hoofd PZ) bij de dienst Stadsontwikkeling en Openbare Werken (dSOW). Deze functie was gewaardeerd volgens het Nieuw Amstelveens functiewaarderingssysteem, hetgeen had geleid tot een indeling op het niveau van schaal 10A. Ook de functie van hoofd PZ van de dienst MER(dMER) en de functie van hoofd PZ van de Bestuursdienst waren aanvankelijk op dat niveau gewaardeerd. Appellant heeft verzocht zijn organieke functie- typering (OFT) aan te passen en zijn functie te waarderen op het niveau van salarisschaal 11, onder meer omdat in 1998 de functie van hoofd PZ van de Bestuursdienst, na aanpassing van de OFT van dat hoofd, op dat niveau was gewaardeerd. Gedaagde heeft wel de OFT van appellant aangepast maar, nadat omtrent de waardering advies was ingewonnen, bij besluit van 27 februari 2001 geweigerd de functie te waarderen op het niveau van schaal 11 en appellant dient overeenkomstig in te schalen. Deze weigering is door gedaagde na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2001.
2. De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij is in hoofdzaak overwogen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een welbewust door gedaagde doorgezette fout, nu aanvankelijk steeds is uitgegaan van functietechnische verschillen tussen enerzijds de functies van hoofd PZ van de dSOW alsmede van dMER en anderzijds die van hoofd PZ van de Bestuursdienst. Pas bij de voorbereiding van het bestreden besluit is gedaagde tot de overtuiging gekomen dat er geen functietechnische verschillen waren en dat de functie van hoofd PZ van de Bestuursdienst op onjuiste gronden is ingedeeld in schaal 11. De rechtbank achtte gedaagde niet gehouden in appellants geval wederom tot een onjuiste beslissing te komen.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de overigens in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.
3.1. Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat de functie van hoofd PZ van de Bestuursdienst gelijkwaardig is aan de twee andere functies van hoofd PZ en evenmin dat in 1998 de functie van hoofd PZ van de Bestuursdienst ten onrechte op het niveau van schaal 11 is gewaardeerd. Appellant is echter van oordeel dat, nu sprake is van functies van gelijke zwaarte, een zorgvuldige afweging van belangen gedaagde ertoe had moeten brengen dat ook hij naar schaal 11 zou worden bezoldigd.
3.2. Gedaagde heeft aangevoerd dat, nu inmiddels gebleken is dat de functie van hoofd PZ van de Bestuursdienst op systeemoneigenlijke gronden op het niveau van schaal 11 is gewaardeerd en nu voorts de waardering van de functie van hoofd PZ van de dSOW in schaal 10A juist is gebleken, het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalt. Een eenmaal gemaakte fout behoeft niet te worden herhaald.
3.3. De Raad kan gedaagde in dit standpunt volgen. Appellant bestrijdt thans niet langer de juistheid van de waardering van zijn functie. Deze waardering impliceert een bezoldiging naar schaal 10A. De enkele omstandigheid dat het hoofd PZ van de Bestuursdienst, zoals inmiddels tussen partijen vaststaat, ten onrechte naar schaal 11 wordt bezoldigd, brengt voor gedaagde niet de verplichting met zich appellant dienovereenkomstig te bezoldigen. Noch het gelijkheidsbeginsel, noch het zorgvuldigheidsbeginsel dwingt daartoe.
4. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2004.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) M. Pijper.