Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AO3146

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/4664 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 lid 3 ABWArt. 57 aanhef en onder d ABWArt. 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet opgegeven ziektewetuitkering

Appellante ontving vanaf januari 1995 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet. Uit onderzoek bleek dat zij over een deel van die periode ook een ziektewetuitkering ontving die zij niet aan de gemeente had opgegeven. De gemeente besloot daarom de bijstand terug te vorderen over die periode.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat er dringende redenen waren om niet tot terugvordering over te gaan. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de terugvordering terecht was en dat de persoonlijke omstandigheden van appellante geen dringende reden vormden om van terugvordering af te zien.

De Raad wees erop dat de terugvordering zo wordt vastgesteld dat appellante over de beslagvrije voet blijft beschikken en dat financiële moeilijkheden op zichzelf geen dringende reden vormen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet opgegeven ziektewetuitkering zonder dringende redenen tot kwijtschelding.

Uitspraak

01/4664 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. E. van den Boogaard, advocaat te Amsterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 12 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/3448 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Van den Boogaard en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden, waarvan de juistheid door partijen niet is bestreden.
Appellante ontving sedert 17 januari 1995 achtereenvolgens een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en - met ingang van 1 december 1996 - op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).
Uit een onderzoek van de Sociale Recherche, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 april 1997, is gebleken dat appellante over de periode van 23 maart 1995 tot en met 20 maart 1996 een uitkering ingevolge de Ziektewet heeft genoten. Appellante heeft dit inkomen niet opgegeven aan gedaagde.
Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 18 november 1999 het recht van appellante op uitkering herzien en de kosten van bijstand over de periode van 23 maart 1995 tot en met 20 maart 1996 tot een bedrag van fl 18.424,35 netto van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 12 mei 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 november 1999 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 12 mei 2000 bij uitspraak van 12 juli 2001 eveneens ongegrond verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat de herziening van het recht op uitkering over de periode van 23 maart 1995 tot en met 20 maart 1996 niet in geschil is. Onbetwist is dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de Algemene Bijstandswet (ABW) is voldaan. Ook de hoogte van het teruggevorderde bedrag is als zodanig niet bestreden. Partijen verschillen uitsluitend nog van mening over de vraag of in dit geval sprake is van dringende redenen, in welk geval de bevoegdheid bestaat om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 55, derde lid, van de ABW dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen indien terugvordering te ernstige gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie heeft.
De namens appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden ten tijde van het ontstaan van de vordering kunnen niet als consequenties als hiervoor bedoeld worden aangemerkt.
Dat appellante wegens haar financiële situatie niet in staat zou zijn het bedrag terug te betalen, kan niet als een dringende reden worden aangemerkt. De Raad wijst er daarbij op dat bij terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene blijft beschikken over de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook overigens is de Raad niet gebleken van dringende redenen als hier bedoeld.
Gezien het voorgaande dient de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.C. de Wit.
MvK29014