ECLI:NL:CRVB:2004:AO3609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand bij verblijf in het buitenland langer dan gebruikelijke vakantieduur
Gedaagde ontving een bijstandsuitkering en kreeg toestemming voor een vakantie naar Pakistan van 24 maart tot 4 mei 1998, waarbij de uitkering doorbetaald zou worden tot 20 april 1998. Gedaagde keerde echter pas op 26 juni 1998 terug, met ziekte als reden voor de vertraagde terugkeer. Appellant trok daarop het recht op bijstand over de periode van 24 maart tot 20 april 1998 in en vorderde de kosten terug, omdat gedaagde volgens hen niet langer in Nederland woonde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit van appellant, waarna appellant hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 9 van Pro de Algemene bijstandswet blijkt dat het recht op bijstand niet vervalt gedurende de eerste vier weken van verblijf in het buitenland, ook als het verblijf langer duurt dan de gebruikelijke vakantieduur.
De Raad stelde vast dat gedaagde zijn woonplaats in Nederland behield en dat het beleid van appellant, dat het recht op bijstand al na vier weken verblijf in het buitenland beëindigt, niet strookt met de wet. Daarom was intrekking van de uitkering en terugvordering van de kosten over de periode van 24 maart tot 20 april 1998 onterecht. Het hoger beroep van appellant werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Ten slotte werd het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard en het intrekkingsbesluit herroepen, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het intrekkings- en terugvorderingsbesluit wordt herroepen.