ECLI:NL:CRVB:2004:AO3719

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/4761 NABW + 01/4932 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 ABWArt. 57 ABW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid en ziekengeld

Appellante ontving over de periode van 5 december 1994 tot en met 30 april 1996 een bijstandsuitkering. Uit inlichtingen van de Belastingdienst bleek dat zij in de periode van 21 december 1994 tot en met 31 maart 1995 inkomsten uit arbeid en ziekengeld ontving die zij niet aan gedaagde had opgegeven. Gedaagde vorderde daarom de teveel betaalde bijstand terug.

Appellante stelde onder meer dat de bestuursrechter niet bevoegd was, dat de beschikking ongeldig was vanwege het ontbreken van een koninklijke opdruk, dat zij onvoldoende tijd had voor een hoorzitting, dat ziekengeld niet op bijstand mag worden gekort, en dat het terugvorderingsbeleid inconsistent was. Ook werd aangevoerd dat onduidelijk was of netto of bruto werd teruggevorderd.

De Raad overwoog dat appellante de inlichtingenplicht uit de Algemene Bijstandswet niet is nagekomen en dat terugvordering op grond van de wet terecht is. Er waren geen dringende redenen om de terugvordering te staken, en het gelijkheidsbeginsel was niet geschonden. De Raad verwierp de bezwaren over bevoegdheid, termijn en opdruk, en bevestigde dat netto werd teruggevorderd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid en ziekengeld.

Uitspraak

01/4761 NABW
01/4932 NABW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellante heeft P.J. van der Aalst, wonende te Eindhoven, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 3 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. AWB 00/2363 en 00/7282, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2003, waar voor appellante is verschenen P.J. van der Aalst, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.L.P.M. van Helden, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.
II. MOTIVERING
Aan appellante is over de periode van 5 december 1994 tot en met 30 april 1996 een uitkering ingevolge de op de Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) verleend. Aansluitend is haar op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) een uitkering voor levensonderhoud toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een maximale toeslag van 20%.
Uit inlichtingen van de Belastingdienst heeft gedaagde geconcludeerd dat appellante in de periode van 21 december 1994 tot 27 januari 1995 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen van Asito en in de periode van 27 januari 1995 tot en met 31 maart 1995 ziekengeld van de Detam. Zij heeft deze inkomsten niet opgegeven aan gedaagde.
Gedaagde heeft daarin aanleiding gevonden om de over de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 maart 1995 verleende uitkering ten bedrage van f 4.616,13 bruto bij besluit van 4 november 1999 van appellante terug te vorderen. Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij besluit van 15 februari 2000 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.
Appellante is op 22 september 1999 in dienst getreden bij Veta personenvervoer B.V. Het dienstverband is op 11 februari 2000 geëindigd. Appellante heeft in oktober 1999 de eerste, mede op de maand september 1999 betrekking hebbende, loonbetaling ontvangen. Appellante heeft de in oktober 1999 ontvangen inkomsten correct aan gedaagde opgegeven, maar deze heeft die inkomsten niet meer tijdig in mindering kunnen brengen op de uitkering over die maand.
Bij besluit van 26 mei 2000 heeft gedaagde van appellante in verband hiermee f 1.366,49 teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 3 oktober 2000 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde het bedrag van de terugvordering herzien en nader vastgesteld op f 1.337,90 netto.
De rechtbank heeft het beroep tegen deze besluiten in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep een veelheid aan, niet altijd begrijpelijke, standpunten naar voren gebracht. De Raad maakt hieruit op dat met betrekking tot besluit 1 de bevoegdheid van de bestuursrechter wordt betwist aangezien de kantonrechter, dan wel de Raad van State, bevoegd zou zijn. Voorts is naar voren gebracht dat de beschikking niet gestempeld is met de opdruk "in naam der koningin", zodat zij ongeldig is, dat de termijn waarop appellante door gedaagde is uitgenodigd om haar bezwaar ter hoorzitting van gedaagde toe te lichten te kort is geweest, dat ziekengeld niet gekort mag worden op een bijstandsuitkering en dat in de gemeente Eindhoven geen consistent terugvorderingsbeleid wordt gevoerd aangezien van de gemachtigde zelf niet wordt teruggevorderd. Met betrekking tot besluit 2 is aangevoerd dat het enige bezwaar is dat nergens duidelijk wordt gemaakt of netto of bruto wordt teruggevorderd.
De Raad overweegt het volgende.
Besluit 1
Met betrekking tot de bevoegdheid van de bestuursrechter en de korte uitnodigingstermijn voor de hoorzitting stelt de Raad zich achter de overwegingen van de rechtbank. Hij maakt deze tot de zijne.
Tussen partijen is niet geschil dat appellante in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 maart 1995 inkomsten uit arbeid en ziekengeld heeft ontvangen zonder daarvan opgave te hebben gedaan aan gedaagde. Daarmee is gegeven dat appellante de in artikel 30, tweede lid, van de ABW opgenomen inlichtingenplicht niet is nagekomen en dat de aan appellante teveel betaalde bijstand op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW moest worden teruggevorderd. Dat appellante door medische problemen niet besefte dat zij dubbele inkomsten ontving en dat zij daardoor verhinderd is geweest om haar inkomsten correct op te geven, is de Raad niet gebleken. Evenmin is de Raad gebleken van dringende redenen die aan de terugvordering in de weg zouden kunnen staan. De grief dat gedaagde bij de terugvordering het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden is onvoldoende onderbouwd en dient reeds daarom te worden verworpen. De Raad is niet gebleken van het bestaan van een rechtsregel dat ziekengeld niet op een bijstandsuitkering mag worden gekort.
Besluit 2
De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank aangaande besluit 2 en maakt deze tot de zijne. De grief dat onduidelijk is of netto of bruto wordt teruggevorderd faalt. Uit de bij het primaire besluit gevoegde specificaties blijkt genoegzaam dat netto wordt teruggevorderd.
Hieruit volgt dat de bestreden besluiten 1 en 2 in rechte stand houden en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Al hetgeen overigens namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever- van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op
27 januari 2004.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns
(get.) B.M. Biever- van Leeuwen
MvK26014