ECLI:NL:CRVB:2004:AO4454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- W.M. Levelt-Overmars
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij afwezigheid niet gerechtvaardigd
De zaak betreft een bezwaar van gedaagde tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin het recht op WW-uitkering werd beëindigd en terugvordering werd ingesteld. Gedaagde maakte bezwaar, maar diende de gronden niet tijdig in. Het Uwv verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van tijdige gronden.
Gedaagde beriep zich op vakantie en het verzoek om uitstel om de gronden in te dienen. De rechtbank oordeelde dat het Uwv in redelijkheid het bezwaar niet-ontvankelijk had mogen verklaren, omdat de vakantieperiode een geldige reden was voor het uitstel en het niet toestaan daarvan onzorgvuldig was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad overwoog dat het Uwv weliswaar bevoegd is om bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 6:6 Awb Pro, maar dat dit besluit gebaseerd moet zijn op een zorgvuldige belangenafweging. Gezien de omstandigheden was het niet redelijk om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het bezwaar van gedaagde werd ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; de Raad bevestigde de rechtbankuitspraak en veroordeelde het Uwv in de proceskosten.