Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 1996 bijstand op basis van de Algemene bijstandswet (Abw). In december 1998 kreeg hij een bedrag uit een erfenis van zijn oom, waarop de gemeente Schinnen besloot een deel van de bijstand terug te vorderen wegens overschrijding van het vrijgestelde vermogen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de schulden van appellant niet in aanmerking hoefden te worden genomen omdat deze niet tijdens de bijstandsperiode waren ontstaan. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de middelen niet toegerekend moeten worden aan de maand van ontvangst, maar aan de datum van overlijden van de erflater, de peildatum. De terugvordering moet worden berekend op basis van het vermogen op die datum, inclusief positieve en negatieve vermogensbestanddelen, en rekening houdend met de toen geldende vermogensgrens.
Het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd en de gemeente werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd en de gemeente dient een nieuw besluit te nemen met correcte vermogensvaststelling op de peildatum.