ECLI:NL:CRVB:2004:AO4613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Ontslag burgemeester wegens verstoorde verhoudingen en afvloeiingsregeling
Gedaagde werd per 1 juni 1997 benoemd tot burgemeester van een gemeente. Vanwege verstoorde verhoudingen tussen hem en de gemeenteraad werd hem bij koninklijk besluit op 1 juni 2001 eervol ontslag verleend. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat afspraken over een afvloeiingsregeling niet waren nagekomen en stelde dat een hogere uitkering mogelijk was op grond van bijzondere omstandigheden.
In hoger beroep stelde appellante dat er geen bindende afspraken waren en dat de gemeente en gedaagde beiden tekort waren geschoten in de onderhandelingen. De Raad beoordeelde eerst of er sprake was van verstoorde verhoudingen en concludeerde dat het vertrouwen van de gemeenteraad in de burgemeester definitief was verdwenen, waardoor het ontslag terecht was.
Vervolgens werd de procedure rond de afvloeiingsregeling beoordeeld. De Raad vond dat de gemeente onvoldoende voortvarendheid toonde, maar ook dat gedaagde niet constructief meewerkte. De Minister had voorzieningen getroffen zoals een verhuiskostenvergoeding, doorbetaling ambtstoelage, vergoeding rechtsbijstand en pensioencompensatie. De Raad vond deze regeling passend en oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een hogere uitkering rechtvaardigden.
Daarmee vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het ontslagbesluit. Er was geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het beroep tegen het ontslagbesluit van de burgemeester wegens verstoorde verhoudingen wordt ongegrond verklaard en het ontslag wordt bevestigd.