ECLI:NL:CRVB:2004:AO5385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens te veel ontvangen uitkering
Appellante ontving tot november 1998 bijstand als alleenstaande ouder en had daarnaast inkomsten uit arbeid. De gemeente herzag het recht op bijstand over de periode van januari tot oktober 1998 en vorderde een bedrag van 311,34 gulden terug wegens te veel verleende bijstand. Dit kwam doordat de inkomsten uit arbeid per vier weken werden uitbetaald, maar niet naar maandbedragen waren omgerekend bij de uitkeringsberekening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep. De Raad overwoog dat het recht op bijstand achteraf gezien lager was dan aanvankelijk toegekend en dat de terugvordering terecht was omdat er geen sprake was van onrechtmatig handelen of het niet nakomen van de inlichtingenplicht door appellante.
De Raad vond geen dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien en wees het beroep af. Ook het beroep op de zesmaanden-jurisprudentie faalde omdat die niet van toepassing is op de verplichting tot terugvordering zoals in artikel 81, eerste lid, van de Abw is bepaald. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van te veel ontvangen bijstand wordt bevestigd.