ECLI:NL:CRVB:2004:AO5668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.M. van Male
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvordering bijstand ex-echtgenote wegens gezamenlijke huishouding
Appellant was gehuwd met zijn ex-echtgenote, aan wie bijstand werd verleend op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Na een onderzoek van de Sociale Dienst Enschede werd vastgesteld dat appellant en zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden. Gedaagde besloot daarop de bijstand over de periode van 1 augustus 1994 tot en met 31 januari 1999 terug te vorderen, mede van appellant.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, dat door gedaagde ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, ABW geen grondslag bood voor terugvordering van een partner als de bijstand aan de andere partner werd toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraak en het besluit voor zover het de terugvordering van appellant betrof, en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand van appellant wordt vernietigd wegens ontbreken van wettelijke grondslag.