ECLI:NL:CRVB:2004:AO5669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar bij intrekking bijstandsuitkering wegens samenwoning
Appellant ontving van 17 april 1997 tot en met 31 maart 1999 bijstand als alleenstaande. Na een onderzoek door de sociale recherche naar vermeende samenwoning met een derde, trok de gemeente Utrecht bijstandsuitkering in per 1 januari 1998 en vorderde onverschuldigde betalingen terug. Appellant diende een bezwaarschrift in op 15 april 1999, dat echter niet-ontvankelijk werd verklaard omdat op dat moment nog geen besluit tot intrekking of terugvordering was genomen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en vernietigde het beroep tegen het besluit op bezwaar. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant redelijkerwijs niet kon menen dat er al een besluit was genomen toen het bezwaarschrift werd ingediend. Ook werd een later ingediend bezwaarschrift van 23 juni 1999 niet erkend wegens gebrek aan bewijs van ontvangst.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding tot toewijzing van proceskosten in hoger beroep. Hiermee blijft de intrekking van de bijstand en de terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en de intrekking van de bijstandsuitkering blijft gehandhaafd.