ECLI:NL:CRVB:2004:AO7504
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.M. van Male
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstand wegens verzwijgen gezamenlijke huishouding
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit tot terugvordering van bijstand over de periode van 29 september 1992 tot 1 mei 1993, omdat hij volgens gedaagde een gezamenlijke huishouding voerde met een huisgenote. De rechtbank vernietigde het eerdere besluit wegens strijd met de wet en onjuiste feitelijke grondslag, en gaf opdracht tot een nieuw besluit.
Gedaagde nam op 26 januari 2004 een nieuw besluit waarin de bijstand werd teruggevorderd op basis van het verzwijgen van de gezamenlijke huishouding. Appellant betwistte dit, met name het feit dat zij gezamenlijk in huisvesting zouden voorzien. De Raad oordeelde dat ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimten, sprake was van feitelijke samenwoning, omdat zij hoofdzakelijk gezamenlijk verbleven in één woning.
De Raad bevestigde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat de terugvordering terecht was vastgesteld op €3.423,13. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep na intrekking van het eerdere besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het besluit tot terugvordering van bijstand blijft in stand.