ECLI:NL:CRVB:2004:AO7652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijzondere bijstand voor fietsreparatie na ongeval
Appellant, een bijstandsgerechtigde alleenstaande, verzocht bijzondere bijstand voor de reparatiekosten van zijn fiets na een ongeval op 13 juni 2000. Deze aanvraag werd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam afgewezen omdat de kosten niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan zouden behoren. In bezwaar werd het verzoek opnieuw afgewezen met de reden dat het feitelijk ging om aflossing van een schuld aan de moeder van appellant, wat volgens artikel 15 Abw Pro niet voor bijstand in aanmerking komt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad stelt vast dat het verzoek om bijzondere bijstand betrekking had op de reparatiekosten zelf en niet op een schuldaflossing. Daarom is artikel 15 Abw Pro niet van toepassing. Wel is artikel 16 Abw Pro relevant, dat bepaalt dat kosten van geleden schade niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend en dus niet voor bijstand in aanmerking komen.
De Raad vernietigt het besluit van 2 maart 2001 en de uitspraak van de rechtbank, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalt een gedeeltelijke vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door mr. A.B.J. van der Ham op 6 april 2004.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor fietsreparatie wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.