ECLI:NL:CRVB:2004:AO9059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th. C. van Sloten
- A.B.J. van der Ham
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens vermogen uit nalatenschap
Appellante ontving vanaf 17 oktober 1996 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Na ontvangst van een erfdeel van 100.000 gulden uit de nalatenschap van haar moeder op 27 mei 1998, stelde het College van burgemeester en wethouders van Alkmaar het recht op bijstand over de periode van 17 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 op nihil en vorderde terugbetaling van 8.415,04 gulden.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de waarde van het vermogen moet worden vastgesteld op het moment waarop appellante over de middelen kon beschikken, niet bij aanvang van de bijstand. De Raad wijst het standpunt van appellante af dat de waarde van de woning op het moment van aanvang bijstand moet worden genomen en dat rekening gehouden moet worden met een krediet-hypotheekvrijlating, omdat deze niet is gevestigd.
De Raad vernietigt het besluit van 16 november 1999 voor zover daarin het recht op bijstand op nihil is gesteld en bevestigt het overige. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot nihilstelling van bijstand wordt vernietigd, de terugvordering wordt bevestigd en het College wordt veroordeeld in proceskosten.