ECLI:NL:CRVB:2004:AO9283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstandsuitkering wegens vermogen uit schadevergoeding
Gedaagde liep op 2 januari 1998 een ernstig skiongeval op met blijvende invaliditeit. Zij ontving in februari 1999 een schadevergoeding van ruim 116.000 gulden van haar verzekeraar. Het college van B&W Utrecht trok daarop haar bijstandsuitkering in en vorderde terugbetaling van bijstandskosten over de periode 2 januari 1998 tot en met 31 juli 1999.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het deel na 1 januari 1999, maar niet voor de periode daarvoor. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de terugvordering over 1999 niet meer in geschil was, maar wel over 1998. De Raad oordeelde dat de aanspraak op de schadevergoeding vanaf het ongeval dateert en dat het vermogen dat gedaagde daardoor verkreeg, in aanmerking genomen moet worden bij de terugvordering.
De Raad vond dat het gehele bedrag niet als immateriële schadevergoeding buiten beschouwing kon blijven, gezien het karakter van de bijstand als laatste vangnet. Het college had onvoldoende rekening gehouden met het vrij te laten vermogen en een studieschuld. De Raad vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand en de terugvordering over 1998 en verklaarde het beroep gegrond.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering over 1998 wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.