ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand door toerekening immateriële schadevergoeding als vermogen
Appellant ontving een bijstandsuitkering en kreeg een immateriële schadevergoeding van €55.000 na een auto-ongeval waarbij hij blijvend invalide raakte. Het College van B&W Rotterdam rekende 40% van deze vergoeding als vermogen bij de beoordeling van het recht op bijstand, wat leidde tot terugvordering van bijstand over de periode van 23 juli 1999 tot 31 oktober 2001.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit deels wegens onjuiste grondslag, maar handhaafde de terugvordering. Appellant ging in hoger beroep tegen de rechtsgevolgen van het besluit. De Raad overwoog dat de vergoeding terecht deels als vermogen is aangemerkt, mede gelet op het karakter van de Algemene bijstandswet als laatste voorziening en vaste jurisprudentie.
Verder oordeelde de Raad dat de terugvorderingsperiode correct is vastgesteld vanaf het ongeval tot twee jaar daarna, en dat geen dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien. Ook het standpunt van appellant dat hij door een andere terugvorderingsperiode in een slechtere positie zou zijn gebracht, werd verworpen. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep af.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand over de periode van het ongeval tot twee jaar daarna is terecht en 40% van de immateriële schadevergoeding mag als vermogen worden meegeteld.